#10. ‘Het personeel ging voor me als de brandweer’

Jan van Seumeren, destijds directielid van Mammoet, bekend van het bergen van de Russische onderzeeër ‘Koersk’

Hij komt uit een gezin met elf kinderen, en ze hebben nog steeds een sterke familieband. Na vele goede jaren kreeg ook dit familiebedrijf in de jaren 80 te maken met de crisis; het bezit moest gescheiden worden: de vier broers en oudste zus gingen samen verder in het bedrijf, 
de zes zusjes hebben het huis, de landgoederen en de rest van het kapitaal onder hun hoede genomen. ‘Het was een kwestie van vertrouwen, want financieel was het bar en boos. We moesten zelfs geld lenen om onze mensen te kunnen betalen. We vertrouwden elkaar, want we hadden ook goeie jaren samen meegemaakt, he, vergeet dat niet. Dan ken je elkaar. En we wisten waar het aan lag: het was crisis, er kwamen geen orders binnen.  

De taakverdeling tussen de oudste 2 broers was vanaf het begin meteen duidelijk. ‘Frans  is van het geld, –  hij zit nu bij FC Utrecht, een heel aardige vent, een ongelofelijk goeie zakenman. Vroeger een ouwe hippie en zo links als wat. En ik ben meer van de techniek. Het is een enorm pluspunt geweest, dat we zo verschillend zijn: ik  bemoeide me niet met Frans, want ik weet niets  van een euro   en hij bemoeide zich niet met mij, want hij slaat nog geen spijker in een pakje boter, zelfs niet in een roomboter. ‘

Met zijn andere broers en zus in het bedrijf, eigenlijk met iedereen kan hij het goed vinden. Maar vooral met het personeel. ‘Het personeel ging voor me als de brandweer, dat is ongelofelijk. Dat kreeg ik voor mekaar door iedereen in ere te houden, door hun capaciteiten te waarderen en daarop hun werk te selecteren.  Mijn idee is: ga iemand niet vragen iets te doen wat hij niet kan, en ga dat niet doordouwen, want dat werkt niet. Dan is die man niet tevreden, want dat kan hij niet. Als jij sommetjes moet maken op school en je bent slecht in rekenen, dan heb je geen lekker gevoel. Nou, zo gaat dat met personeel ook. Ga maar kijken wat je wilt doen, zeg ik altijd. Wij hebben een ingenieur gehad, die bij ons twee of drie jaar op de tekentafel zat, en  later op de kraan. Want dat vond hij leuker. Als er iemand ongelukkig is, komen de jongens er zelf mee, of de jongens erom heen. Ze weten het van elkaar. Als ze een paar bakjes teveel op hebben, hebben ze het toch over deze dingen. Dan krijg je dat wel te horen.

Braaf jongetje

De mensen denken dat ik een hoop geleerd heb, maar dat is niet zo. Ik heb nooit ergens een papiertje in gehaald, nergens in. Ik heb vijf jaar op kostschool gezeten, en daar was ik een heel braaf jongetje, dat geloof je niet, maar echt een lief jongetje. Bij ons thuis was ik de enige die het op kostschool volhield. Frans zat op dezelfde school dan ik,  maar die kwam na drie jaar weer thuis. Het gezin was gewoon te groot voor onze moeder, om dat zelf allemaal te regelen. Dus er moesten kinderen het huis uit. Eerst zat ik op Saint Louis in Amersfoort en daarna op Don Bosco in Leusden, ik heb er helemaal geen spijt van;. In de derde klas van Don Bosco – ik was een jaar of vijftien –  kwam mijn vader me halen, want hij had personeel tekort. Een jaar later zat ik op de grootste kraan die we hadden, we bouwden de eerste hangar voor de 747 op Schiphol. De machinist was ziek en ik moest erop. Moest ik zo’n spant omhoog hijsen en dat ging in een keer helemaal goed! Het zat in je vingers. De uitvoerder zei: “Jij blijft mooi op die kraan zitten.” Ik was zestien jaar, geen diploma’s, en dan op zo’n machine. Dat kun je je nu niet meer voorstellen. Het was 1967.’

Het bedrijf  Van Seumeren Holland BV loopt goed. Tussen 1973 en 2000 groeit het van vijftig naar vijftienhonderd man. ‘Jan: ‘We werden groter, dus we hadden steeds meer mensen nodig. Wij innoveerden en liepen steeds voor de markt uit. En ikzelf altijd keihard meewerken, he. Je hoeft mij maar een paar sleutels te geven en het maakt me niet wat voor machine het is – een kraan, groot, klein, een asfaltmachine, –  ik kom er altijd uit. Op kostschool noemden ze mij ‘maniertje’, ik had overal een oplossing voor. Een echte kraanmachinist, ben ik niet. De hele dag in zo’n kraan te zitten, daar heb ik geen zin in, maar ik kon wel heel goed draaien en met die kubels betonplaten smijten, dat vond ik heerlijk. Ik kon aardig draaien. ’

Vijftienhonderd man personeel vraagt om een aanpak, om beleid. Jan: ‘Daar ben ik niet van, maar ze weten wel dat ik de baas ben. Als een goser er maar wat bij loopt en die doet geen klote, dat werkt niet. Dan moet ie maar wat anders gaan doen en niet meer komen. Maar zover kwam dat meestal niet. Het bedrijf is niet voor niets zo groot geworden. We hadden ongelofelijk goed personeel. Het selecteerde zichzelf. Er kwamen jongens bij en beviel hij niet in het groepie, dan lag ie er uit. Er zat op een bepaald moment een goser een kraan bijna te mollen en Toon Vronik pakte ‘m zo aan zijn poten en sleurde ‘m zo uit zijn cabine: rot op naar huis. Een rotte appel moet eruit. Ik kon niet op elke klus zijn, dus die jongens namen dat van me over. De eerste selectie maakte ik wel zelf natuurlijk. 

Na de overname van Mammoet in 2001 zaten we op drieduizend man personeel. Waar ik naar keek bij mensen, weet ik eigenlijk niet, dat ging automatisch. Ik merk meteen hoe iemand in elkaar zit. Ik heb wel eens nagedacht over een sollicitatietest, een soort assessment, maar dat is er nooit van gekomen. Ik dacht: we zetten een container neer, daar leggen we een koevoet in en een blok beton en wat wieltjes en dan kijken we hoe hij dat blok beton van de ene naar de andere kant brengt. En hoe snel hij dat doet. Dat leek mij wel een leuk idee. 

Tientjesmensen

In het begin was het lastig om mensen te vinden. Dan zaten we zondagsavonds in de kroeg en moest ik er nog twee of drie hebben. We noemden ze de tientjesmensen. Die hadden geen werk en wilden wel komen voor een tientje per uur, zeker als je dat twaalf uur per dag deed. En dat vijf, zes, soms wel zeven dagen per week. Zelf werkte ik ook hard, gemiddeld wel tweeënzeventig uur in de week, de laatste dertig jaar. Als ik ergens een klus had aangenomen, hoefde ik mijn jongens niet op te bellen van: ‘Ga je mee?’ Die zeiden zelf: hoe laat vertrekken we. Ik werkte me helemaal uit de naad. Als een klus niet wilde lukken en ik zag dat, dan stapte ik zo de blubber in en hielp ff een handje mee. Hoeveel pakken ik niet weggegooid heb… Nu is eigenlijk  alles versleten: mijn knieën, mijn heupen, alles. Dat maakt me niet uit en ik kan me nog steeds verplaatsen. En ik heb het heel erg naar mijn zin.

Ik was en ben altijd heel trouw aan mijn mensen. Ging er een trouwen en moest er een huisje komen, dan zeiden we: dat kun je bij ons krijgen en dat los je af met overuren. Jij helpt hem, hij helpt jou, zo deden we dat.Natuurlijk heb ik me wel eens vergist in mensen. Dat ze aan de drank gingen, zeker in het buitenland, met scheidingen als gevolg. Maar niet vaak en we kregen ze meestal wel weer in het gareel. Als het er tien zijn geweest, is dat veel. We gingen erover praten: ga je eerst maar terug bewijzen. Dan deelden we ze in bij de Hoogovens, een verschrikking was dat, de hele dag in die cabine, in dat stof, in die kolenrotzooi, en geen geld verdienen natuurlijk. Eerst de schade inlopen.

Klaas Lamphen was – hoe zal ik dat eens zeggen – mijn vertaler. Ik bedacht een kraan in mijn hoofd, maakte schetsjes en Klaas legde daarna uit aan de ingenieurs wat ik bedoelde. Ik zat er dan wel bij hoor. En tekeningen lezen kan ik prima. 

De Koersk is het grootste werk geweest, ever. Niemand dorst het, niemand kon het, en wij hebben het gedaan. Omdat wij dachten dat we het konden.  Hoewel het helemaal niet ons werk was, hield het mij enorm bezig, er zaten toch honderdachttien mensen in dat schip, die het niet gehaald hadden. Wij hadden wel veel hijservaring, maar niet op zee. En toen op een dag, ik zat in bad, zag ik voor me hoe het moest. Schetsen gemaakt, Klaas ingeschakeld, de hele wereld eigenlijk. Uiteindelijk hebben we de opdracht gekregen en moesten we daadwerkelijk aan de bak. Bij iedere klus, maar zeker bij zoiets ingewikkelds als het optakelen van de Koersk, was de synergie tussen de jongens heel belangrijk. We hebben dus de helft van ons eigen personeel en de helft van Mammoet meegenomen. Ik kende die Mammoetjongens al, want die kwamen we overal tegen. De geschiktste had ik eruit gezocht. Niet de allerhoogste, want dan krijg je gezeik op zo’n schip, want je bent wel zes maanden bezig. Je moet een goeie mix hebben. Het is een ongelofelijk klus geweest, in alle betekenissen van het woord. Het heeft ons de vriendschapspenning van Poetin opgeleverd, maar vooral een ongekende trots op de kennis, kunde en bereidheid tot samenwerking van iedereen die eraan meegewerkt heeft. 

Niks moeten

In al die jaren heb ik veel mensenkennis opgedaan. Mijn zoon, die allerlei bedrijven heeft en veel zaken doet, ook over de grens, vroeg mij regelmatig: Pap, loop even binnen, dan kan jij kijken wat voor man dat is. Maar dat was vroeger, dat doet ie nou niet meer. Hij kan het nu zelf. Het is een soort intuïtie. Het gebeurt in de eerste minuten. Heel even luisteren, en dan weet ik het, heel direct. Het gaat allemaal onbewust. Ik heb ook wel eens tegen mijn zoon gezegd: “Ik zou het niet doen.” Ik zou nooit zeggen: “Dat moet je niet doen.” 
Moeten, daar heb ik niks mee. Het moet gebeuren, dat wel. Maar ik moet niks. Het volhouden om een klus te doen, dat moet. Ook in temperaturen, zoals in Koeweit, van 52 graden. Dan moesten de jongens een kwartier in een ijskast en dan kan weer driekwartier werken. Zo deden we het wel. Dat is echt wel moeten. Volhouden boys. 

Heel belangrijk om dan de sfeer goed  te houden, dus af en toe een bak bier erin pleuren. En zelf vrolijk blijven maar dat is voor mij ook moeilijk als het helemaal niet gaat. Dan moet je volhouden. Bij de Koersk was ik op mijn sterkst. Ik heb daar mensen weg  gestuurd die gingen muiten, die er niet meer in geloofden. Alles bij elkaar duurde dat project negen maanden. De zaagkabel brak steeds en dat was mijn eigen fout. We hadden een joint venture met Smit, we deden allebei een gedeelte van de klus. 

High 5 Solutions

Jan is twee keer getrouwd. Met dezelfde vrouw. ‘Natuurlijk was het twee keer feest, vijfhonderd man. Tien jaar zat er tussen. ‘Ik was ook nooit thuis hè. Ging ik voor drie weken weg, kwam ik na vijf maanden pas weer thuis. Altijd aan het werk. Op een bepaald moment zei mijn vrouw “de groeten”. In 1990 was ik directeur geworden. Opstartje maken hier, werk controleren daar, en nooit meer zo lang van huis, dus we gingen er voor de tweede keer voor. 

Er is niet veel verschil tussen Jan, de meewerkend voorman en Jan, de directeur.  ‘Maar als ik op de engineeringafdeling rondliep en ze zaten te kletsen, merkten ze wel aan mij dat ik dat niet fijn vond. Niet dat ik kwaad werd, maar ze liepen gewoon uit zichzelf naar hun tafel terug. Er moet wel gewerkt worden. Soms gingen ze verzinnen wat al lang was uitgedacht, daar kon ik ook niet tegen. Zei ik: “Vraag aan de ouderen: is dit al een keer gebeurd, zijn hier oplossingen voor? Ga nou niet opnieuw het wiel uitvinden.” En dat zei ik dan tegen veertig-vijftig van die mannen, hè, allemaal uit Delft, en ik nul. Maar ik begreep ze wel, en ik heb veel ervaring. Klaas riep altijd: “Jij kijkt dwars door iets heen. Je weet hoe het gaat worden, hoe het kan.” Ik zie snel hoe het kan en hoe het moet gaan werken.

Nu ben ik met pensioen,’ zegt hij lachend, ‘een mooi pensioen, he. Ik heb een oude Legonda gekocht uit 1937, die ik samen met een vriend heb opgeknapt. Maar ik zat al gauw weer thuis, want je kunt best een paar rondjes rijden, maar dan ben je dat ook weer zat. Toen kwam ik een paar jongens tegen en daar zijn we High 5 mee begonnen. Een nieuw bedrijfje dat loopt als een speer. Wat we doen? Hoog frequent boren en ankers aanbrengen. Daar hebben we patent op. We werken met een man of twaalf.Een deel kende ik al, die hebben ‘gesolliciteerd’, de nieuwe directeur kende ik via via. Hij is een soort Klaas, maar dan een financiële. Het is weer helemaal nieuw, dat is het leuke. Het is zwaar werk, dus je moet echte buffels hebben. Wat doet je voor sport, is de eerste vraag die ik altijd stel. En als hij dan zegt: beetje wandelen met de hond, dan denk ik: “Mwah” (breed lachend). Ik ben weer van de techniek. En van de sfeer, maar ik doe er niks extra’s voor, ik denk er niet over na. Ik weet gewoon dat het werkt.’

Jan van Seumeren (1951) begint zijn carrière in 1969 als hulp in het bedrijf van zijn vader, Van Seumeren Kraanverhuur, later Van Seumeren Holland. Zijn werk als kraanmachinist wordt van lieverlee uitgebreid. Hij houdt zich zo’n 30 jaar bezig met de uitvoering en de technische dienst. In 1999 wordt Jan directeur op het gebied van handel en innovatie. In 2000 nemen ze Mammoet over van rederij Nedlloyd. En ze gaan verder onder de naam Mammoet in de kleuren van Van Seumeren Holland. Het bedrijf telt dan wereldwijd 3000 medewerkers. Jan is in de directie technisch adviseur en verantwoordelijk voor de handel.
Mammoet schrijft in 2001 geschiedenis door het bergen van de Russische kernonderzeeër de “Koersk”. 

In 2011 gaat Jan van Seumeren met pensioen, maar hij blijft aan de slag, nu met Jan van Seumeren Handelsonderneming. Hij verhandelt schepen en boten en heeft bij verschillende projecten een adviesrol. In 2015 komt High 5 Solutions op zijn pad, een bedrijf dat zich specialiseert in hoog frequent boren en ankers aanbrengen. 

Frans van Seumeren

Iedere woensdag verschijnt er een nieuw interview, geschreven door Gulian van Maanen en Violet Falkenburg. Deze interviews komen ook op het Platform Lerende Leiders en op LinkedIn.